zen (Japanse uitspraak van Chinees tsj'an, v. Sanskriet dhyana = meditatie), een vorm van boeddhisme die pretendeert de ware geest daarvan, bestaande in de ervaring van de door Boeddha verworven verlichting, door te geven. Het is afkerig van theorie, prediking en explicatie en hecht veel waarde aan mensenliefde. Lichamelijke en geestelijke discipline, verkregen door meditatie, worden toegepast als beste middel om de verlichting (satori) deelachtig te worden, dwz. om de transcendente wijsheid (prajna) uit het onderbewustzijn te wekken. De aanhanger wiens geest verlicht en bevrijd is, zal zonder vrees of bijbedoelingen, spontaan en in volstrekte zielenrust aan het gewone leven deelnemen. De Indische monnik Bodhidharma, die ca. 520 n.C. via Kanton in China zou zijn gekomen, wordt als eerste patriarch van de zen-boeddhisten beschouwd. Na een geweldige groei en bloei in China kreeg de sekte in de 12de eeuw vaste voet in Japan. Enerzijds werd zen er de bezieler van de kunstenaar, anderzijds wees het de weg aan de samoerai en vormde het de basis voor de militaire geest van Japan.

Invloed van zen op de beeldende kunst van het Verre Oosten blijkt het eerst in China, waar op het eind van de Soeng-dynastie (960–1279) het toen opkomende tsj’an een nieuwe stijl mede deed ontstaan, gekenmerkt door een intu´tieve houding van de kunstenaar die snel, zonder overleg en in ongeremde spontaniteit ging werken. Tot de 17de eeuw bleef de ‘stijl van de lege ruimte’ in China – verstard – in zwang. De beide belangrijkste tsj’an-schilders zijn Moe Tsj’i en Liang K’ai (beiden 13de eeuw). Vanuit China kwam het tsj’an in Japan, waar het m.n. in de Moeromatji- of Asjikaga-periode (1336–1573) het culturele leven beheerste: de theeceremonie (zie tja-no-joe) ontstond, toneel () en dichtvormen (haiku) in zen-geest ontwikkelden zich en in de schilderkunst werd de monochrome, spontane stijl van de Zuidelijke Soeng-school overgenomen; deze kunst wordt zenga genoemd (zie voorts Japan). De grootste zen-schilder was Sessjoe (1420–1506); een van zijn beide stijlen wordt so of habokoe (lett.: neergeworpen inkt) genoemd. Voorts zijn te noemen: Foegai (1568–1654), Takoean (1573–1645), Hakoein (1685–1768), Soeio (1716–1789) en Sengai (1750–1837).

Het Zenboeddhisme heeft evenals yoga en in het algemeen het gehele denken van het Verre Oosten, na de Tweede Wereldoorlog veel verbreiding gevonden in de Verenigde Staten (in de literatuur bijv. bij de beat generation) en vandaar in de overige westerse wereld. Met name een aantal experimentele kunstenaars (vooral schilders, o.a. Mark Tobey) voelden zich ertoe aangetrokken. In zekere zin heeft zen invloed uitgeoefend op het abstracte expressionisme. Op muziekgebied ontstond een experimentele school die, op basis van zen-denkbeelden, klanken een ‘ontologische’ kwaliteit toekent, welke door componist of bewerker alleen geweld kan worden aangedaan; zo kwam deze in de jaren vijftig in Europa invloedrijke school tot integratie van het toeval in compositie en uitvoeringspraktijk.