jodendom, benaming voor het religieus-geestelijk erfgoed dat de joden door de eeuwen heen hebben meegedragen. De joodse godsdienst heeft als voornaamste kenmerk het monotheÔsme. Met de ontvangst van de thora op de berg SinaÔ, aangevuld met, volgens de overlevering Gods mondelinge, later schriftelijk vastgelegde toelichting op de geschreven leer, kreeg het joodse volk een groot aantal opdrachten (mitsvot; zie mitswa) die het gehele leven aan God wijden. Na de Babylonische ballingschap kreeg de joodse godsdienst een meer systematische opbouw, toen het geheel van voorschriften werd samengevat in de talmoed. De joodse religie begeleidt het leven van de jood in alle fasen ervan: geboorte, besnijdenis, Bar Mitswa en Bat Mitswa, huwelijk en het ritueel bij het levenseinde en begrafenis. Verder kent het jodendom de sabbat als wekelijkse rustdag met een uitgebreid ceremonieel en het zich onthouden van alle arbeid. Daarnaast kent het jodendom spijswetten. In het jodendom bestaan orthodoxe en liberale richtingen.

Joden naam ontleend aan het Hebreeuws Jehoedi, waarmee oorspronkelijk een lid van de stam Juda (Jehoeda) werd aangeduid, vervolgens de bewoners van het Rijk Juda en nog later benaming voor allen die tot het volk IsraŽl, dwz. tot de afstammelingen van Jakob (= IsraŽl) behoorden (zie Jakob [bijbel]). Jakob ontving de naam IsraŽl nadat hij met de boodschapper Gods geworsteld had. IsraŽl betekent: ‘hij die met God worstelde’ (Gen. 32:29 en 35:10). De bijbel gebruikt de term joden pas in de laatste boeken van het Oude Testament. Daarvoor werden de joden aangeduid als ‘Kinderen IsraŽls’. De term jood (Gr.: Joudaios; Lat.: Judaeus) werd vooral in de Griekse en Romeinse diaspora gebruikt en had vaak een pejoratieve betekenis.

Volgens de joodse definitie is elk kind van een joodse moeder of van een moeder die tot het jodendom is overgegaan, of iemand die zelf officieel tot het jodendom is overgegaan, jood. Na de opkomst van het liberale of Reform-jodendom in de 19de eeuw bestaat over de acceptatie van proselieten onenigheid. Het orthodoxe jodendom erkent niet-joden die zich binnen de Reform tot jood hebben bekeerd, niet als zodanig. In 1977 nam het IsraŽlische parlement, de Knesset, een wet aan die bepaalde dat de goedkeuring van het IsraŽlische opperrabbinaat nodig is voor iedereen die in IsraŽl tot het jodendom wil overgaan.

Zie voor joodse taal en letterkunde Hebreeuwse taal en jiddisch.

1. Godsdienst

De joodse godsdienst heeft als voornaamste kenmerk het monotheÔsme. Dat de uiterlijke vormen en de termen sporen dragen van de oude oriŽntaalse omgeving, is waarschijnlijk. Maar de specifieke wijze waarop de lijn van schepping en uittocht wordt doorgetrokken, uitlopend op een apart verbond van het joodse volk met God met daaruit voortvloeiend de opdracht hoe te leven opdat het plan van schepping en uittocht voltooid kan worden in een vorm van rechtvaardigheid, is het unieke van IsraŽls godsdienst. De schepping door ťťn God staat aan het begin van dit geloof. Daarin weerspiegelt zich het streven naar orde en harmonie. De overwinning van de orde op de chaos, van het licht op het duister, maakte de orde in de natuur tot voorbeeld van gehoorzaamheid aan Gods wil. De uittocht uit Egypte is de reflectie van dezelfde gedachte, toegepast op de menselijke wereld, waarin een volk uit het midden der volkeren wordt genomen en waarin de slavernij plaatsmaakt voor de vrijheid. Met de ontvangst van de thora op de berg SinaÔ, aangevuld met Gods mondelinge, later schriftelijk vastgelegde toelichting op de geschreven leer, kreeg het joodse volk een groot aantal opdrachten (mitsvot; zie mitswa) die het gehele leven aan God wijden. Deze traditie onderging verschillende bewerkingen, eerst in juridisch en ritueel opzicht door de priesters en later, toen de nadruk meer gelegd werd op het ethisch gedrag dan op de cultus, door de openbaringen en de predikingen van de profeten. Na de Babylonische ballingschap kreeg de joodse godsdienst een meer systematische opbouw toen het werk van Ezra werd voortgezet door de soferiem (schrijvers) en de latere leraren, totdat het geheel werd samengevat in de Talmoed. De joodse godsdienst kent geen speciale belijdenis, maar wel een door de halacha sterk geregeld levensgedrag, dat echter nooit los gezien kan worden van de levensbeschouwing.

De ontwikkelingen die optraden in de joodse godsdienst, leidden tot een samenvatting van de regels voor godsdienst en het sociale leven in compendia, rabbinale responsa en commentaren, die op hun beurt de ontwikkeling in de godsdienst beÔnvloedden. Ook de joodse mystiek oefende sterke invloed uit op de ontwikkeling van de godsdienst (zie Kabbala en Zohar). De joodse mystiek vond in de nieuwe geschiedenis haar uitdrukking in het chassidisme. De achtergrond van de joodse wereldbeschouwing wordt duidelijk naar voren gebracht in de vastgestelde liturgie (waarvan de oudste samenstellingen teruggaan tot het begin van de christelijke jaartelling), die een eigen ontwikkeling onderging, maar in haar principiŽle opbouw steeds hetzelfde patroon bleef volgen.

De joodse religie begeleidt het leven van de jood in alle fasen ervan: geboorte, besnijdenis, Bar Mitswa en Bat Mitsva, huwelijk en het ritueel bij het levenseinde en begrafenis, zodat het gehele leven door de overdenking op kritieke hoogtepunten gesteld wordt in de spiegel der eeuwigheid. Het ritueel dat het leven volgt, vindt zijn pendant in het ritueel dat gevolgd wordt op de verschillende hoogtijdagen van het jaar, die als mo‘adiem (vaste punten) steeds tegelijkertijd een bepaald punt in het jaar vormen (lentefeest, zomerfeest en herfstfeest), maar daarnaast ook aanknopingspunten zijn voor de herinnering aan de hoogtepunten uit de joodse geschiedenis. Zo kent het jodendom de sabbat als wekelijkse rustdag met een uitgebreid ceremonieel (kidoesj en havdala) en het zich onthouden van alle arbeid. Voorts een groot aantal feest- en gedenkdagen en als toevoeging uit de moderne tijd IsraŽls Onafhankelijkheidsdag. (Zie Loofhuttenfeest, Rosj Hasjana, Jom Kippoer, tisja be-av.)

Deze drievoudige herinnering – liturgie, levensgang en jaarcyclus – worden aangevuld door andere symbolen, die de joden blijvend aan de uit het verbond met God voortgekomen opdracht herinneren, zoals het gebruik van de gebedsmantel (talliet) met de daaraan verbonden schouwdraden (tsietsiet), het kokertje met een tekst uit de Tenach aan de deurposten (mezoeza), het aanleggen van de gebedsriemen (tefillien) bij het ochtendgebed, enz. Vele van deze gebruiken gelden alleen voor mannen.

Tot de middelen om de joden aan hun bestemming te herinneren, behoren ook de spijswetten. In de thora zijn deze beperkt tot het verbod om vlees te nuttigen van dieren die niet de beide kenmerken hebben van gespleten hoeven en herkauwen, van vissen die geen schubben en vinnen hebben, en van alle kruipende dieren, schelp- en schaaldieren. Zeer belangrijk is het eveneens op de thora gebaseerde verbod om gelijktijdig melkspijzen en vleesspijzen te nuttigen. In de mondelinge traditie zijn deze wetten nog aanzienlijk uitgebreid (zie koosjer).

2. Geschiedenis

2.1 Voor de ballingschap

De geschiedenis van de joden begint met het verhaal van de stamvader Abraham (aanvankelijk Abram) in Gen. 12. Abram emigreerde vanuit het Ur van de ChaldeeŽn naar het ‘land dat God hem aanwees’. De leiding van de stam ging via Abrahams zoon Isaak, diens zoon Jakob (zie Jakob [bijbel]) (de aartsvaders = eerste vaders) naar Mozes, die de twaalf stammen – afstammend van de twaalf zonen van Jakob – uit Egypte voerde, waar zij waren toegelaten toen dit land beheerst werd door de stamverwante Hyksos (1730–1580 v.C.). Volgens het Exodus-verhaal was Mozes opgevoed aan het Egyptische hof en ervoer hij de binding met zijn volk pas laat. Zijn hem door God opgedragen doel, na de uittocht uit Egypte, was het terugbrengen van de twaalf stammen naar het aan de voorvaderen beloofde land. Om de idee van het verbond met God en de daaruit voortspruitende verbondsplichten tot werkelijkheid te maken, voerde hij het volk naar de ‘Berg Gods’ in de SinaÔwoestijn. Daar werd aan het joodse volk de thora gegeven. Veelvuldige moeilijkheden gedurende de woestijntocht verhinderden de stammen binnen een klein aantal jaren Kanašn binnen te trekken.

2.1.1 Intocht

De intocht vond plaats onder Mozes' opvolger Jozua. Deze veroverde delen van het land op de ‘zeven volkeren’, maar na zijn dood moesten de meeste stammen het hun toegevallen deel alleen, of in vereniging, heroveren. Deze verovering was een langdurig proces en er bleven Kanašnitische enclaves in het door de stammen veroverde gebied.

2.1.2 Periode der Richteren

De periode van de dood van Jozua tot aan de ‘Koningen’ heet de periode der ‘Richteren’, een benaming voor incidenteel optredende leiders, die door concentratie van de stammen en door het verlevendigen van de verbondsgedachte leiding gaven aan het verzet tegen de pogingen van de omringende volkeren de stammen te verdrijven of te overheersen. Deze toenemende concentratie maakte van de stammen een volk, dat vervolgens een koning wilde kiezen. De laatste richter, SamuŽl, willigde schoorvoetend het verlangen van het volk in. Zo werd Saul – uit de kleine stam Benjamin – de eerste koning. Na zijn dood werd door de stam Juda Sauls rivaal en schoonzoon David tot koning gekozen. Zeven jaar later werd David door het hele volk (alle stammen) als koning aanvaard.

2.1.3 De koningen

David verenigde het volk tot een hecht koninkrijk, veroverde Jeruzalem en maakte deze stad (vroeger niet tot het rijk van de stammen behorend) tot hoofdstad. Hij breidde zijn rijk uit en stelde een sterk centraal gezag in. Onder zijn zoon Salomo, de bouwer van de Eerste Tempel op de berg Sion, kende het rijk een grote bloei. Na diens dood werden de verschillen tussen de noordelijke en de zuidelijke stammen weer acuut en volgde de splitsing in twee rijken: IsraŽl (de noordelijke stammen) en Juda (stammen van Juda en Benjamin).

In 722 v.C. werd het rijk IsraŽl door AssyriŽ ten onder gebracht. Alleen de sociaal zwakkeren werden in het land achtergelaten en met een van elders weggevoerde bevolking aangevuld. Het rijk Juda – met zijn Davidisch koningshuis en de tempel als religieus centrum – werd in 586 v.C. door het Nieuw-Babylonische rijk ten val gebracht. Met de verwoesting van Jeruzalem en van de eerste tempel in het jaar 586 v.C. begon de Babylonische ballingschap.

2.2 Na de ballingschap

Cyrus van PerziŽ, veroveraar van het Nieuw-Babylonische rijk, wenste de door hem onderworpen volken zoveel mogelijk te vriend te houden. Om deze reden, maar ook omdat veel joden hem geholpen hadden bij de verovering van BabyloniŽ, liet hij een aantal ballingen naar het vaderland, tegenwoordig de Perzische provincie Jehoed, terugkeren. Het proces van de hernieuwde vestiging en organisatie was langzaam en moeilijk en werd gekenmerkt door een controverse tussen de teruggekeerden en de in het land gebleven bevolking (de Samaritanen), die door de teruggekeerden niet als joden werden beschouwd, omdat zij te veel gewoonten van de hen omringende volken hadden overgenomen. Ondanks tegenwerking werd de tempel herbouwd, die in 515 v.C. gereed kwam. Omstreeks het midden van de 5de eeuw v.C. kwam de geestelijke leiding in handen van de uit BabyloniŽ teruggekeerde priester en schrijver Ezra. Deze reorganiseerde het religieuze en geestelijke leven, maakte een einde aan de gemengde huwelijken en herstelde de gedachte van het verbond tussen God en het volk, fundeerde het leven op de grondslagen van de thora en bepaalde daarmee in hoge mate de latere ontwikkeling van het jodendom. Onder Nehemia, de joodse balling die door de Perzische koning tot gouverneur van Jehoed werd benoemd, werd Jeruzalem opnieuw het joodse centrum.

De voornaamste joodse vestigingen bestonden in de daarop volgende eeuwen uit Judea (de Griekse benaming voor Jehoed), de grote groep die in BabyloniŽ was achtergebleven en een aanzienlijk aantal in Egypte. Deze laatste breidde zich onder het korte bestuur van Alexander de Grote en na hem de PtolemeeŽrs zeer uit. Ook Judea zelf kwam na Alexanders dood onder de PtolemeeŽrs. Omstreeks 200 v.C. kwam de provincie Judea onder het bestuur van de Syrische Seleuciden.

2.2.1 Opstand en onafhankelijkheid

Na de troonsbestijging (ca. 175 v.C.) van Antiochus IV Epiphanes brak de burgeroorlog uit tussen de massa van het volk die de door Ezra gepropageerde idealen wilde navolgen, en de aristocratische kringen, die voorstanders waren van hellenisering. Door ingrijpen van Antiochus in deze burgeroorlog ontstond in 167 v.C. de MakkabeeŽnopstand (zie MakkabeeŽn), onder leiding van Judas de MakkabeeŽr. De opstand eindigde met de herovering van de tempel (165 v.C.), die door Antiochus was gebruikt voor de eredienst van Jupiter. Tevens werd de godsdienstvrijheid hersteld. Na de dood van Judas groeide uit de strijd om de godsdienstvrijheid een oorlog voor nationale onafhankelijkheid en in 142 werd Judas' broer Simon hogepriester, vorst en militair leider van het joodse volk.

De korte periode van onafhankelijkheid tussen het Syrische bestuur en het Romeinse bestuur werd gekenmerkt door ernstige verschillen tussen de aristocratische – en al spoedig geheel gehelleniseerde – priesterdynastie der MakkabeeŽn en hun aanhangers, de SadduceeŽn (naar Zadok, hogepriester in de dagen van David en Salomo), en de volkspartij, geleid door de leraren en voortzetters van de ‘keten der traditie’, de FarizeeŽn (Verklaarders). Simon werd opgevolgd door Johannes Hyrcanus (135–104 v.C.). Zijn zoon Judas Aristobulus (104–103) was sterk hellenistisch ingesteld, terwijl diens opvolger, Alexander Jannaeus (103–76), die het rijk uitbreidde door veroveringsoorlogen en de FarizeeŽn bloedig vervolgde, volkomen aan de Romeinse kant stond. Zijn weduwe, Alexandra (76–67), volgde hem op en bereikte een zekere mate van ontspanning en vrede, die echter weer verloren ging, toen na haar dood haar zoons Hyrcanus en Aristobulus elkaar de troon betwistten.

2.2.2 Romeinse overheersing

Dankzij de twisten tussen Hyrcanus en Aristobulus kon Pompejus Judea in feite tot een Romeinse provincie maken (63 v.C.). Onder het bekwame, maar wrede bestuur van Herodes (37 v.C. – 4 n.C.) kwam deze provincie tot een betrekkelijk grote bloei. Hij restaureerde en verfraaide weliswaar de tempel, maar werd door het volk slechts gezien als een gehate tiran.

Het Romeinse bestuur, dat al vanaf Pompejus in Palestina de werkelijke macht vertegenwoordigde, werd formeel kort na Herodes' dood ingesteld (Romeinse procuratoren sedert 6 n.C. en definitief sedert 44 n.C.). Deze periode werd gekenmerkt door een groeiend verzet van het volk. Er groeide bij sommige groeperingen een sterk geloof dat dit de geweldheerschappij van de ‘vreselijke laatste dagen’ was. De ondergang van dit bestuur zou de Messiaanse periode inluiden. Door dit geloof ging een deel van het volk tot gewapend verzet over (Zeloten) en ook de groep die zich terugtrok in het woestijngebied bij de Dode Zee (wier verwachtingen bekend zijn uit de in 1947 gevonden Dode-Zeerollen), verzette zich. Een grote opstand tegen het Romeinse bestuur, die in 66 n.C. uitbrak, eindigde met een nederlaag, de verovering van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel door Titus in 70 en de heldendood van de opstandelingen in Masada in 73. Het land werd grotendeels ontvolkt ( ‘tweede ballingschap’) en de joodse geschiedenis wordt nu het verhaal van een ‘volk verspreid onder de volkeren’. Twee grote opstanden, een onder de regering van Trajanus in 115 n.C. en een onder die van Hadrianus, waarbij Bar Kochba als leider optrad (132–135), brachten enkele jaren van onafhankelijkheid. Na 135 was Jeruzalem een ‘ontjoodste stad’; zij werd omgezet in de Romeinse kolonie Aelia Capitolina.

2.3 Diaspora en vervolging

Dat het joodse volk desondanks als volk bleef bestaan en dat de verwachting van een uiteindelijke Messiaanse bevrijding niet verloren ging, was het gevolg van de bijzonder sterke geestelijke leiding. In de eerste eeuwen van groeiende controverse tussen jodendom en christendom ontstonden de samenvatting van de ‘mondeling overgeleverde leer’, de misjna, en de zeer uitgebreide commentaren daarop (gemara), samen de talmoed vormend. De joden waren inmiddels verspreid van BabyloniŽ in het oosten tot in het Rijnland en langs de kusten van de Middellandse Zee (zie diaspora). Hun positie onder Romeins bestuur was die van vreemdelingen met privileges, maar werd in de 4de eeuw, toen het christendom staatsgodsdienst werd, beduidend slechter. De christelijke leiders trachtten de joden door uitzonderingsmaatregelen en geweld (soms onderbroken door perioden van overreding) ertoe te brengen te erkennen dat hun verlangen naar een Messias in Jezus van Nazaret was vervuld. De gehele middeleeuwen (de joodse middeleeuwen duurden tot de tijd van de Verlichting en de daaropvolgende Franse Revolutie) zijn gekenmerkt door die voor joden zo tragische en voor christenen zo beschamende ontmoeting. Vooral tijdens de kruistochten bereikte de jodenvervolging een hoogtepunt. Valse beschuldigingen van rituele moord, hostieschending, bronnenvergiftiging leidden tot massamoord, gedwongen doop, verdrijving uit vele landen en verbranding van joodse boeken. De joden zagen hun lijden als een ‘blijvend op wacht staan voor God’ en zagen de christenen als misleide vervolgers. De christenen meenden dat de totale wereldverlossing (met Jezus' komst begonnen) nog slechts wachtte op de ‘bekering’ van de joden. De situatie werd mede bepaald door de economische verhoudingen, die de joden als religieuze minderheid vaak tussen hamer en aambeeld plaatste.

De islam was van de aanvang af (en is nog steeds) niet minder afkerig van het jodendom en de joden dan van het christendom, ook al waren er in de praktijk perioden van tolerantie en wederzijdse culturele beÔnvloeding, bijv. in bepaalde perioden in het Moorse Spanje. Vaak echter waren joden (en overigens ook christenen) aan vele discriminerende bepalingen onderworpen. Zo moesten de joden als zodanig aan o.a. hun kleding kenbaar zijn, moesten zij in bepaalde wijken wonen, waren zij van allerlei ambten en beroepen uitgesloten en stonden zij in bepaalde perioden aan regelrechte pogroms bloot (o.a. in Spanje onder de Almohaden in de 11de eeuw). Vele joden die in 1492 uit Spanje werden verdreven, zochten een toevlucht in de landen rond de Middellandse Zee of in Portugal.

Men verdeelt de huidige joden in Asjkenazische (zie Asjkenaziem) en Sefardische joden (zie Sefardiem).

In de middeleeuwen bevonden zich belangrijke joodse centra in Europa in Duitsland (Rijnstreek: Worms, Speier, Keulen), Noord-Frankrijk, Engeland en in Spanje. In Duitsland, Frankrijk en Engeland leidde groeiende onrust tot een sterke vervolging (zie ook antisemitisme). In Duitsland waren de joden veelal een tijd lang door keizerlijke privileges beschermd (servi camerae regiae), maar de prijs voor deze bescherming werd steeds hoger. Ook in het christelijke Spanje, waar de joden enige eeuwen van welvaart hadden genoten, werden zij vanaf 1391 bloedig vervolgd. Anders dan in andere landen trachten vele joden in Spanje zich daaraan te onttrekken door de doop. Een deel van hen, de Marranen, bleef evenwel in het geheim het jodendom trouw. De Spaanse inquisitie richtte zich speciaal tegen deze Marranen en ook tegen christenen van joodse afstamming in het algemeen. De invoering van de inquisitie in Portugal, waarheen velen gevlucht waren, leidde tot een geleidelijke uittocht van deze Nieuwe Christenen, eerst naar Zuidwest-Frankrijk en de havensteden aan de Atlantische Oceaan, vervolgens naar Antwerpen, en vanaf het begin van de 17de eeuw ook naar Nederland (zie hierna ß 2.6).

2.3.1 Hunkering naar verlossing

Ten gevolge van de catastrofale wending in het lot van de joodse gemeenschap werd de hunkering naar de verlossing steeds intenser en nam de bestudering van de mystiek sterk toe. Men begon ‘het einde uit te rekenen’. Vooral in Palestina (Safed) en het verdere Midden-Oosten maakte men zich gereed voor de komst van de masjiach (Messias). Dank zij deze spanning en het toenemende leed – grote jodenvervolgingen in Polen in 1648 – kon een pseudo-messias, Sjabtai Zwi, optreden en de joden van de gehele wereld meeslepen. De teleurstelling die zijn beweging ten slotte opleverde (hijzelf werd islamiet), werd in grote mate bepalend voor de verdere ontwikkeling van het jodendom.

2.4 Nieuwe Tijd

Drie belangrijke aspecten kenmerken de Nieuwe Tijd: a. het streven tot verkrijgen van gelijke burgerrechten (emancipatie), vooral in West-Europa en hier en daar in Centraal-Europa;

 

b. het streven naar het bereiken van een zo sterk geloofsleven, dat het innerlijk leven een bescherming biedt tegen de zichtbare harde werkelijkheid (chassidisme), waarbij overigens de strikte naleving van de joodse wetten gehandhaafd bleef; tegelijkertijd werd door de gevestigde orthodoxie een intensivering van de talmoedbestudering en een nog striktere naleving van de joodse wetten opgelegd;

 

c. het aarzelend opkomen van de gedachte aan herstel door eigen kracht in een nieuw nationaal centrum (pre-zionisme).

2.4.1 Emancipatie

De emancipatie werd in naam bereikt in de Franse Revolutie, maar begon in feite in Amerika kort na de Amerikaanse Revolutie. De chassidische beweging was het geestelijk behoud van de grote massa's in Oost-Europa, ook al werd de beweging door tegenstanders (mitnagdiem) fel bestreden. De grootste concentratie van joden bestond van 1700 tot 1940 in Oost-Europa. Polen had al een bloeiend joods leven gekend van 1500 tot 1648. De joden vormden hier een eigen sociale groep. Zij waren een soort vierde stand naast de edelen, de lijfeigen boeren en de burgers in de steden. Zij verkregen bij decreet van Sigismund August in 1551 zelfbestuur en kozen een synode, die de zgn. ‘vier landen’ zeer effectief bestuurde, belastingen inde, onderwijs en sociale instellingen verzorgde en de joden bij de overheid vertegenwoordigde. Na de bloedige vervolgingen van 1648, waarbij de kozakken onder leiding van Bogdan MichaÔlovitsj Chmelnicki (1593–1657) een grote rol speelden, ging alles sterk achteruit. De verschillende Poolse delingen verdeelden ook de joden in onderdanen van de Russische tsaar, de Oostenrijkse keizer en de koning van Pruisen. Catharina de Grote van Rusland bepaalde in 1791 dat de joden slechts mochten wonen in bepaalde gebieden, het Ansiedlungsrayon, ook bekend onder de Engelse benaming Pale of Settlement, waar zij aan strenge, beperkende bepalingen werden onderworpen. Deze opeenhoping van de overgrote massa van de Oost-Europese joodse bevolking in een beperkt gebied verminderde hun economische bestaansmogelijkheden, en leidde tot zeer ernstige verpaupering. Dit zou nog erger worden in 1881, toen de nieuwe tsaar, Alexander III, een nieuwe anti-joodse economische wetgeving afkondigde, de zgn. Mei-wetten. Dit leidde enerzijds tot massa-emigratie naar het Westen, m.n. naar de Verenigde Staten. Anderzijds bevorderden deze maatregelen, zolang zij nog min of meer draaglijk waren, het geestelijk leven, zodat het Pools-Russische centrum een reservoir werd van de nieuwe joodse geest.

Het streven naar emancipatie werd sterk bevorderd door Lessing in Berlijn, vriend en promotor van Moses Mendelssohn (1729–1786), de grondlegger van de ideeŽn van de joodse Verlichting. Diens werk beÔnvloedde weer Dohm, een Pruisisch advocaat, en diens pleidooi voor emancipatie bracht Josef II van Oostenrijk tot zijn decreet van tolerantie (1782). In 1791 kregen de joden in Frankrijk burgerrechten; Napoleon trachtte de joden uitsluitend als kerkelijke gezindte te organiseren. In Centraal- en in Oost-Europa werd hij als redder begroet. De emancipatie ging na de val van Napoleon in de meeste landen weer verloren en moest in de tweede helft van de 19de eeuw opnieuw worden verworven. Toen zij echter uitbleef, verkozen vele, vaak al door de emancipatie geassimileerde joden de doop (m.n. in Duitsland).

2.4.2 Liberale jodendom

De joodse hervormingsbeweging trachtte de vlucht te stuiten door een oriŽntatie op een jodendom waarin een poging werd gedaan de vormen te veranderen zonder de inhoud (de levende eeuwige woorden en elementen van het jodendom) geweld aan te doen. Dit leidde tot het liberale of reformjodendom, dat zijn wortels had in Duitsland, maar in de Verenigde Staten zijn grootste bloei bereikte. Het liberaal jodendom vestigde zich echter ook in andere Europese landen, m.n. in Engeland. Verbonden met dit streven was ook de ontwikkeling van de ‘wetenschap van het jodendom’ (Zunz, Geiger, Jost en Graetz). Een meer conservatieve richting, geleid door Zacharias Fršnkel, kreeg eveneens haar grote invloed pas later in de Verenigde Staten (Conservative Judaism).

2.4.3 Emigratie naar de Verenigde Staten

De aanhoudend slechte toestand in Centraal-Europa en later vooral in Rusland leidde tot verschillende emigratiegolven naar de Verenigde Staten, waar sedert de revolutie een kleine groep al volledige burgerrechten had. De eerste joodse vestiging in de Verenigde Staten dateert van 1654 (Nieuw-Amsterdam) en een joodse geestelijke (Mendes Seixas) nam deel aan de inhuldiging van de eerste president. In het midden van de 19de eeuw kwamen honderdduizenden, die deel namen aan de ontwikkeling van het Amerikaanse westen. De Amerikaanse Burgeroorlog verdeelde ook de joodse gemeenschap, maar de meerderheid was voor afschaffing van de slavernij. De immigratie bevorderde een beter en georganiseerder joods geestelijk leven.

2.5 Geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw

De emancipatie van de joden in de 19de eeuw deed velen van hen deelnemen aan de ontwikkeling van wetenschap en kunst, terwijl sommigen ook een vooraanstaande plaats innamen in nationale en internationale politiek. Maar deze vooraanstaande plaats was ook de oorzaak van een nieuwe vorm van jodenhaat, nl. het maatschappelijk antisemitisme. De term antisemitisme is ontleend aan de geschriften van een beweging in Duitsland die kort na het verlenen van gelijke burgerrechten al streefde naar de afschaffing daarvan (de Antisemitische Liga onder leiding van Wilhelm Marr). De nieuwe vorm bestond vnl. hierin, dat het niet langer ging om een bestrijding van joden die nog binnen het joodse godsdienstige verband stonden, maar van al degenen die door afstamming tot het joodse volk konden worden gerekend. Ten gevolge van de vervolgingen van de joden in Oost-Europa (pogroms) emigreerden velen naar Noord-Amerika, terwijl anderen, daarbij geholpen door joodse filantropen, een nieuw leven in ArgentiniŽ trachtten te beginnen.

2.5.1 Zionisme

De vervolging van 1881 in Rusland bracht Leon Pinsker (1821–1891) ertoe de joden op te roepen zichzelf te emanciperen. In hetzelfde jaar kwam de eerste groep joodse studenten bijeen ter oprichting van een beweging met als doel de joden terug te brengen naar Palestina. Deze idee was al eerder gepropageerd door David Gordon (1831–1886) en Peretz Smolenskin (1840 of 1842–1885). De beweging was bekend als die van de ‘Vrienden van Zion’ en de eerste actieve vestiging in Palestina vond plaats in 1881. Dit was het begin van de eerste immigratiegolf na de verbanning van de joden uit Palestina tussen 70 en 135 n.C.

Het streven naar de terugkeer naar het oude joodse vaderland kreeg een politieke vorm door de beweging opgericht op initiatief van Theodor Herzl (1860–1903). In zijn boek Der Judenstaat (1896), geschreven onder invloed van de Dreyfus-affaire, zette Herzl zijn ideeŽn over een joodse staat uiteen, alsmede de wijze waarop een dergelijke staat verkregen moest worden. Samen met zijn medewerkers Max Nordau (1849–1923) en David Wolffsohn (1856–1914) riep hij het eerste zionistencongres bijeen in Basel in 1897 (zie zionisme). Het politieke streven van de zionistische wereldorganisatie, nl. het verwerven van een nationaal tehuis voor het joodse volk en internationale erkenning van het recht daarop, kwam naderbij met de Balfourdeclaratie (1917). Daarin beloofde de Engelse regering naar beste vermogen te trachten de verwezenlijking van een joods nationaal tehuis in Palestina te vergemakkelijken.

2.5.2 Na de Eerste Wereldoorlog

 

 

Na de Eerste Wereldoorlog consolideerde de joodse gemeenschap zich voornamelijk in de Verenigde Staten, Palestina en Oost-Europa, m.n. in Polen. Het revanchistisch streven in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog leidde tot de Nationaal-Socialistische Beweging, die van de aanvang af streefde naar uitstoting van de joden uit het maatschappelijk verkeer. Het aan de macht komen van deze beweging, onder Adolf Hitler in 1933, leidde tot vervolging op grote schaal. De Neurenberger wetten van 15 sept. 1935 beoogden de doeleinden van de beweging te verwezenlijken. Vele joden zochten een heenkomen naar het buitenland; steeds meer landen sloten echter hun grenzen voor joodse vluchtelingen. Zo kondigde Engeland, dat na de Eerste Wereldoorlog van de Volkenbond het mandaatsbestuur over Palestina had gekregen, het Witboek af (1939), waarin de joodse immigratie naar Palestina grote beperkingen werd opgelegd. Meteen bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in sept. 1939 door de inval van Duitsland in Polen werd aldaar begonnen met de systematische liquidatie van de joden. Overal waar de Duitse bezetting kwam werd ten slotte het Wannsee-project (zie EndlŲsung en Wannsee Conferentie) ten uitvoer gebracht en zo werden in totaal ca. zes miljoen joden vermoord (zie verder holocaust).

2.5.3 Na de Tweede Wereldoorlog

Toen de Tweede Wereldoorlog ten einde was en de joodse bevolking van Europa buiten de Sovjet-Unie bijna geheel was verdwenen, realiseerde men zich het falen van de niet-joodse wereld ten aanzien van de joden in en voor de Tweede Wereldoorlog en ondersteunden regeringen van vele landen het streven van de joden in Palestina en van velen daarbuiten om te komen tot oprichting van een eigen joodse staat. De aanbeveling tot oprichting van een joodse en een Arabische staat in Palestina werd op 29 nov. 1947 door de Verenigde Naties aangenomen (VN-delingsplan, neergelegd in resolutie 181). Op 14 mei 1948 riep David Ben-Goerion de staat IsraŽl uit. De daaropvolgende Onafhankelijkheidsoorlog bepaalde de grenzen van IsraŽl tot 1967. Deze werden, behalve door de Arabische landen, internationaal erkend. In de Zesdaagse Oorlog van 1967, toen IsraŽl door de Arabische landen dreigde te worden aangevallen, veroverde het de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever, de SinaÔwoestijn, de Golanhoogte en Oost-Jeruzalem. De toenmalige IsraŽlische regering annexeerde Oost-Jeruzalem; de SinaÔwoestijn werd bij het vredesverdrag van 1979 met Egypte aan dit land teruggegeven. De overige gebieden staan sindsdien bekend als de ‘bezette gebieden’, hoewel sommige groeperingen in IsraŽl de voorkeur geven aan de benaming ‘bevrijde gebieden’. Het in bezit houden van deze gebieden bemoeilijkt de oplossing van het sinds 1948 bestaande Palestijnse vraagstuk. Ook het sluiten van vredesverdragen met de overige Arabische landen wordt onder meer hierdoor bemoeilijkt. Er kwam enige verandering in de situatie als gevolg van de vooral onder druk van de Verenigde Staten tot stand gekomen akkoorden in 1993 en 1994 die voorzien in Palestijns zelfbestuur (zie verder IsraŽl en Palestijnse Nationale Autoriteit).

De uitroeiing van een zeer groot deel van de Europese joden door het nazi-regime, de stichting van de staat IsraŽl en de naoorlogse vervolgingen in een aantal Oost-Europese en Arabische landen hebben zowel de geografische verspreiding van de joden als hun culturele oriŽntatie drastisch veranderd. De twee belangrijkste centra zijn nu, zowel numeriek als cultureel, IsraŽl en de Verenigde Staten. Numeriek zijn de joden in Rusland de daarop in belangrijkheid volgende groep. Hun geschiedenis werd tot aan de ineenstorting van het communisme gekenmerkt door repressie. Vrije godsdienstoefening, joods onderwijs of contacten met joden buiten de Sovjet-Unie waren vrijwel onmogelijk, waardoor zij over het algemeen in sterke mate assimileerden. Toch waren er ook groepen die hun joodse identiteit handhaafden of zelfs versterkten door midddel van illegale bijeenkomsten en lessen. Naast een antisemitische politiek voerde de Sovjetregering ook een uiterst antizionistische politiek, met name na de verbreking van de diplomatieke betrekkingen met IsraŽl in 1967. Emigratie naar IsraŽl was de eerste jaren nadien vrijwel uitgesloten; na 1971 konden in bepaalde gevallen joden die familie in IsraŽl hadden naar dit land emigreren. Aldus verlieten van de ca. drie miljoen joden ongeveer 300!000 hun geboorteland, waarvan een deel zich elders vestigde, vooral in de Verenigde Staten en Canada. De omstandigheden van hen wier verzoek om een uitreisvergunning werd afgewezen waren vaak onleefbaar; velen verloren hun baan en hun kinderen werd vervolgstudie onmogelijk gemaakt. Voor deze refuseniks voerden in het Westen vele solidariteitscomitťs jarenlang acties. Vanaf 1989 nam de emigratie van Russische joden een hoge vlucht (in 1990 alleen al 200!000 personen). De toegenomen uitreismogelijkheden waren toe te schrijven aan het hervormingsbeleid van Gorbatsjov, die in 1985 partijleider werd. Ook het joodse leven in Rusland zelf kreeg een nieuwe impuls: onderwijs werd weer mogelijk en er werd een overkoepelende Raad van Joodse Gemeenten opgericht. Tegelijkertijd namen echter ook de uitingen van antisemitisme weer toe, bijv. in de extreem-rechtse antisemitische beweging Pamjat. Ook in andere Oost-Europese landen profiteerden de joden van het hervormingsbeleid, hetzij door verruiming van de emigratiemogelijkheden, hetzij door herstel van joods leven.

In de Arabische landen is het aantal joden sinds 1948 zeer drastisch afgenomen, en in de meeste (vooral SyriŽ en Irak) is de positie van de zeer kleine groep overgebleven joden uiterst precair. Na de stichting van de staat IsraŽl emigreerde de overgrote meerderheid naar IsraŽl. De twee grootste joodse gemeenschappen in Europa zijn die van Groot-BrittanniŽ en Frankrijk. In Latijns-Amerika zijn verreweg de grootste joodse gemeenschappen die van ArgentiniŽ en BraziliŽ.

2.6 Joden in Nederland

Reeds in de vroege middeleeuwen hebben kleine groepjes joden in de Nederlanden gewoond. In de 13de en begin 14de eeuw waren er in ieder geval joodse gemeenten in Limburg, Brabant en Gelderland ten oosten van de IJssel. Tijdens de Zwarte Dood (1347–1349) werden de meesten van hen als zondebokken verdreven.

Een nieuwe periode brak in het begin van de 16de eeuw aan, toen groepjes Marranen zich onder meer in Antwerpen vestigden. Aan het eind van de 16de eeuw zochten de meesten van hen een heenkomen in de Noordelijke Nederlanden, waar immers een grotere mate van godsdienstvrijheid bestond dan in het door de Spanjaarden beheerste zuiden. Vooral Amsterdam werd een centrum van joods leven en was met zijn 10!000 joden rond 1700 verreweg de grootste joodse gemeenschap in West-Europa.

Hoewel de staten van Holland aanvankelijk besloten hadden een Reglement voor de Joodse Natie op te stellen, werd uiteindelijk iedere stad vrijgelaten in de beslissing joden op te nemen. Hieruit laat zich verklaren, dat bijv. in Utrecht en Deventer tot de Franse tijd geen joden leefden. Daar waar de joden wel toegelaten werden, waren zij vrij in hun keuze van een vestigingsplaats (geen getto's) en behoefden zij geen uiterlijke kentekenen te dragen. Wťl was het hun verboden tegen de christelijke godsdienst te ageren, proselieten te maken en buiten eigen kring te huwen.

In het midden van de 17de eeuw vestigden zich tal van Hoog-Duitse (Dertigjarige Oorlog) en Oost-Europese joden in Nederland. Over het algemeen waren dezen armer dan de leden van de Portugees-IsraŽlietische gemeente. Vooral de joden van deze laatste groep hebben een belangrijke rol gespeeld in het economische en culturele leven van Nederland in de 17de en 18de eeuw. In dat verband valt er vooral te denken aan de Hebreeuwse boekdrukkunst, waarvan Amsterdam een centrum was, aan de zijderederij, de suikerraffinaderij, de tabakscultuur en de geldschieterij (Isašc de Pinto). Veel Hoog-Duitse joden vonden hun werk op het platteland, in de handel of als kleine neringdoenden.

2.6.1 Gelijkstelling

De Franse Verlichting en de denkbeelden uit de kring rond Moses Mendelssohn brachten aan het eind van de 18de eeuw een vrij diepgaande verandering teweeg in het intellectuele leven van de joodse gemeenten. Het was deze zelfde ‘verlichte’ sfeer waarin de joden binnen de Bataafse Republiek volledig gelijkgesteld werden aan de onderdanen van andere (religieuze) gezindten (Besluit van de Nationale Vergadering, 2 sept. 1796). In hetzelfde jaar werd de uitsluiting van joden van het lidmaatschap van gilden ongedaan gemaakt, wat hun beroepsmogelijkheden vergrootte. In 1797 werden zelfs twee joden in de Nationale Vergadering gekozen, wat toen een unicum was in de Europese geschiedenis. In feite liet de gelijkstelling zich niet door decreten van bovenaf dwingen; van gelijkstelling was in de praktijk van de dagelijkse omgang dan ook zeker nog geen sprake.

Tot de komst van de Fransen vormden de joden in Nederland de ‘Joodsche Natie’, met een grote mate van autonomie voor de joodse gemeenten. Lodewijk-Napoleon, koning van Holland, maakte hieraan een einde. Hij wenste opname van de joden in de ‘Hollandsche Natie’ en centraliseerde de macht over de gemeenten door de instelling van het zgn. Opperconsistorie (1808). Bij K.B. van 12 juni 1814 zette koning Willem I dit consistorie om in de Hoofcommissie tot de Zaken der IsraŽlieten. De scheiding van Kerk en Staat in 1848 leidde andermaal tot herziening van de bestuurlijke constructie. Na jaren van geharrewar kwam in 1870 uiteindelijk de thans nog bestaande situatie tot stand van een apart Nederlands-IsraŽlitisch en een Portugees-IsraŽlitisch kerkgenootschap. (Zie Nederlands-IsraŽlitisch kerkgenootschap en Portugees-IsraŽlitisch kerkgenootschap).

2.6.2 Rond de Tweede Wereldoorlog

 

 

Vermeldenswaard is dat de joden een belangrijke rol gespeeld hebben in de opkomende arbeidersbeweging in Nederland (de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond). Het zionisme daarentegen vond hier weinig aanhangers. Toch waren er diverse opleidingscentra voor pionierswerk in Palestina en bestond er een zionistische jeugdorganisatie. In maart 1933 werd het Comitť voor Bijzondere Joodse Belangen opgericht, dat onder leiding stond van A. Asscher en D. Cohen. (Deze zelfden zouden tijdens de oorlog een centrale functie vervullen in de joodse Raad.) In zijn pogingen de joodse vluchtelingen te helpen heeft dit Comitť het niet gemakkelijk gehad, omdat de Nederlandse regering in principe alleen die joden wenste toe te laten die in de eigen bestaansmiddelen konden voorzien. Na de Kristallnacht heeft de regering de grenzen bijna hermetisch gesloten gehouden. Uiteindelijk bleken in 1941, bij een door de Duitsers gelaste telling, in Nederland 140!552 joden te wonen; bijna 30!000 mťťr dan in 1930. Van dezen waren er ca. 15!000 vluchteling. Dat er 30!000 meer geteld werden, was een gevolg van het feit dat de Duitsers andere criteria aanlegden dan de Nederlandse regering bij de telling van 1930 (resp. joods is een raskenmerk en joods is een godsdienst). Van hen zijn er naar schatting in de Tweede Wereldoorlog 106!000 omgekomen.

2.6.3 Huidige tijd

Het aantal in Nederland wonende joden heeft na 1945 nooit meer het vooroorlogse aantal bereikt. Emigratie naar IsraŽl en elders (o.m. de Verenigde Staten) is hiervoor mede een verklaring. Toch is, na een aanvankelijk sterke neiging tot assimilatie, weer een bloeiend joods leven tot stand gekomen. Dit is met name het geval in Amsterdam/Amstelveen, maar ook in kleinere kernen in en buiten de Randstad. Op godsdienstig gebied bestaat een drietal organisaties: het Nederlands-IsraŽlitisch Kerkgenootschap, het Portugees-IsraŽlietisch Kerkgenootschap en het Verbond van Liberaal-Religieuze Joden in Nederland (zie ook liberaal jodendom). De joodse gemeenschap beschikt over een eigen ziekenhuisafdeling in Amstelveen, een psychiatrisch ziekenhuis in Amersfoort, een joodse RIAGG en een wijdvertakte sociale organisatie, het Joods Maatschappelijk Werk. Jongeren zijn georganiseerd in verenigingen die de schakeringen van het Nederlandse jodendom reflecteren worden: orthodox, zionistisch, liberaal of zonder specifieke binding. Dagonderwijs wordt gegeven op joodse basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs (Rosj-Pina/Maimonides en Cheider), terwijl joods onderwijs op hoger niveau wordt verzorgd door het Nederlands-IsraŽlietisch Seminarium en het Kollel Chacham Zwi (kollel = studiecentrum voor gehuwde rabbijnen). Er is een joods cultureel centrum; er zijn sport- en ontspanningsverenigingen, voorlichtingscentra op godsdienstig en politiek gebied (CIDI) en diverse organisaties die internationaal gelieerd zijn, zoals de Nederlandse Zionisten Bond (NZB), verbonden met de World Zionist Organization (WZO), en de Nederlandse afdeling van de Women's International Zionist Organization (WIZO).

2.7 Joden in BelgiŽ

Aan het begin van de 13de eeuw waren op het grondgebied van het huidige BelgiŽ kleine aantallen joden aanwezig, vnl. in Brabant (Brussel en Leuven) en in de eerste helft van de 14de eeuw ook in Henegouwen. De pogroms die volgden op de Zwarte Dood van 1348–1349, maakten bijna geheel een einde aan hun aanwezigheid. De weinigen die nog in Brussel en Leuven waren overgebleven, werden in 1370 beschuldigd van hostieschennis en gedood, naar is afgebeeld op de ramen van de St.-Michielskathedraal in Brussel.

Pas in de 16de eeuw bevonden zich opnieuw joden in Brugge en later vooral in Antwerpen, waar zich Marranen vestigden, vooral als kooplieden. Het was hun echter onder het Spaanse bewind verboden de joodse godsdienst uit te oefenen; daarom begaven velen van hen zich vanaf het einde van de 16de eeuw naar de Noordelijke Nederlanden. Sedert het begin van de 18de eeuw was er in BelgiŽ een geringe immigratie van Asjkenazische joden, die oogluikend werd toegestaan. Pas met de verovering van de Zuidelijke Nederlanden door Franse troepen in 1794 konden joden zich vrij in Brussel en Antwerpen vestigen. Het aantal joden in BelgiŽ omstreeks 1800 bedroeg nog slechts 800.

2.7.1 Na 1800

Na de onafhankelijkheid van BelgiŽ in 1831 werd de joodse godsdienst officieel erkend. De organisatie van de Belgische joden is sterk beÔnvloed door het Napoleontische systeem, gecentraliseerd in het Centraal IsraŽlitisch Consistorie van BelgiŽ in Brussel. Er is ťťn opperrabbijn, eveneens in Brussel.

Aan het eind van de 19de eeuw ontstond er een sterke immigratie uit Oost-Europa, vooral naar Antwerpen, waar zich een belangrijke diamantindustrie ontwikkelde, waarin zeer vele Antwerpse joden werkzaam waren.

2.7.2 Tweede Wereldoorlog

In 1940 woonden er omstreeks 100!000 joden in BelgiŽ, van wie 55!000 in Antwerpen en 35!000 in Brussel, en onder wie ca. 20!000 Duitse vluchtelingen. Slechts 5 ŗ 10% van de joden bezat de Belgische nationaliteit. De Duitse bezetting van BelgiŽ bracht ongeveer hetzelfde patroon van steeds verder doorgevoerde anti-joodse maatregelen met zich als dat in Nederland. In BelgiŽ was de Wehrmacht belast met de uitvoering van de anti-joodse maatregelen. Dit betekende dat het lot van de joden daar iets minder ongunstig was dan bijv. in Nederland, waar de Gestapo uitvoerder was. Tussen sept. 1942 en eind juli 1944 werden meer dan 25!000 joden uit BelgiŽ gedeporteerd, van wie slechts 1244 terugkeerden. Het verzamelkamp in BelgiŽ was Breendonk. In BelgiŽ slaagde het verzet – ten dele van joodse organisaties – er beter in joden te doen onderduiken, vaak met behulp van de Belgische geestelijkheid. Aldus zijn ca. 3000 kinderen en 10!000 volwassenen behouden.

2.7.3 Huidige tijd

Na de oorlog kwam, tot 1955, een groot aantal joodse vluchtelingen uit Midden- en Oost-Europa naar BelgiŽ, vooral naar Antwerpen. De meeste joden in BelgiŽ zijn thans Belgisch staatsburger. Van de thans ca. 30!000 joden woont het overgrote deel in Antwerpen en Brussel; tussen beide gemeenschappen is echter een groot verschil: de in Brussel woonachtige joden zijn over het algemeen meer liberaal en seculier ingesteld, terwijl de joodse bevolking van Antwerpen merendeels van (zeer) orthodoxen huize is, waartoe de aanwezigheid van diverse chassidische groeperingen in niet geringe mate bijdraagt. Van de veertien officieel van staatswege erkende joodse gemeenten zijn er zes in Brussel en drie in Antwerpen gevestigd; daarnaast bestaan er nog diverse kleinere gemeenschappen met eigen synagoges en leerhuizen die niet door de staat erkend (en gesubsidieerd) worden. Er bestaan zes joodse dagscholen, waaronder het Athťnťe Maimonide en het meer seculier op IsraŽl gerichte Ganenoe in Brussel en Tachkemoni (een gemengde school met Hebreeuws onderwijs) en de combinatie Jesode Hatora (voor jongens) en Beth Ja‘akow (voor meisjes), waar het religieus onderwijs in het Jiddisch wordt gegeven, te Antwerpen. Een jesjiva (talmoedhogeschool) in Antwerpen-Wilrijk herbergt ca. 80 studenten. Alle internationale joodse jeugdbewegingen hebben actieve afdelingen in BelgiŽ. Drie culturele centra ontplooien activiteiten op velerlei gebied. Een aantal overkoepelende organisaties ten slotte heeft een meer representatieve functie, met name het reeds genoemde Centraal IsraŽlitisch Consistorie van BelgiŽ, dakverband van de joodse gemeenten, en de Confťrence Permanente des Institutions Juives de Belgique.