Boeddha (= de verlichte), naam waaronder de stichter van het boeddhisme, Siddhartha Gautama (Pali: Siddhatta Gotama) (ca. 560 – ca. 480 v.C.), het meest bekend is geworden.

1. Jeugd

Hij stamde uit het adellijk geslacht van de Sakya's en noemde zichzelf later veelal Sakyamuni (Sjakjamoeni): de wijze uit het geslacht Sakya. Omdat Boeddha zelf geen geschriften heeft nagelaten, moet men voor zijn biografie een beroep doen op de Sanskriet-teksten van het Mahayana (vooral de Lalitavistara uit de 2de eeuw n.C.) en in mindere mate op de Pali-teksten van het Hinayana (zie boeddhisme). De historische feiten zijn echter zeer door legenden overwoekerd. Het leven van Gautama is het type van het boeddhaleven; bij iedere boeddha verloopt het volgens boeddhistische opvattingen vrijwel gelijk. Gautama's vader, Sjuddhodhana, was vorst van Kapilavastu in Magadha (Noordoost-IndiŽ), zijn moeder, Maya, stierf volgens de overlevering zeven dagen na Siddhartha's geboorte. Hij kwam ter wereld in het woud Lumbini. Bij zijn geboorte droeg hij de 32 gunstige kentekenen (mahavyanjana) van een groot man. Op hetzelfde ogenblik werd ook zijn latere vrouw geboren. Van zijn jeugd is weinig bekend; slechts verdichtselen zijn overgeleverd. Zo zou hij op school zelfs zijn leermeesters in wijsheid overtroffen hebben. Hij huwde met Yasjodhara en had een zoon, die Rahula werd genoemd. Hij leidde tot zijn 29ste jaar een gelukkig leven aan het hof.

2. Inzicht onder de vijgenboom

Door het zien van een jammerlijke grijsaard, een ernstig zieke, een lijk en een bedelmonnik drongen de ellende, de waardeloosheid en de ijdelheid van het leven zich aan hem op en hij zocht zich vrij te maken van de ellende van het bestaan. Hij verliet 's nachts vrouw en kind en zocht als rondzwervend en bedelend asceet de ware vrijheid bij beroemde asceten, maar kon ook hier niet de gemoedsrust en de bevrijding uit de samsara (de eeuwige kringloop van de wedergeboorten) terugvinden, totdat hij eens op een dag, zittend onder een asvattha-(vijgen-)boom bij de rivier Nairanjana, tot het ware inzicht kwam: alle wensen afgestorven, het slechte ontvlucht. Ondanks de aanvallen van Mara, de personificatie van de dood, die de wereld en de samsara representeert, bereikte hij zulk een trap van meditatie, dat alles hem licht werd en hij de dwaling als oorzaak van alle leed en lijden vond. Sedertdien was hij de boeddha, de verlichte.

3. Verkondiging

Na een tijd van strijd en aarzeling of hij zijn nieuw inzicht voor zich zou behouden, dan wel of hij het zijn verblinde medeschepselen zou meedelen, trok hij, 36 jaar oud, de wereld in om het verlossend inzicht te verbreiden. Te Benares, in het dierenpark Rsipatana (Pali: Isipatana), hield hij zijn eerste prediking en zette het ‘Wiel der norm’ (Dharmacakra) in beweging. Ondanks bestrijding en tegenwerking kreeg hij al spoedig vele aanhangers. Onder hen waren de brahmanen Sjariputra, Maudgalyayana, zijn neef Ananda; lekenaanhangers en begunstigers waren o.a. de rijke koopman Anathapindika en de vorst Bimbisara van Magadha. Jaar in jaar uit trok Gautama door het land om zijn leer te verbreiden, zich enkel in de regentijd met enkele leerlingen afzonderend. Hij stierf aan de oever van een rivier in de nabijheid van Kusjinagara (Kusinara). Door de zorgen van zijn geliefde leerling Ananda en enkele andere discipelen werd zijn lijk verbrand. Zijn overblijfselen werden als relikwieŽn vereerd, in acht delen verdeeld en bewaard in stupa's.

Nadat men vele jaren in onzekerheid over Boeddha's bestaan heeft geleefd en men zelfs een tijdlang aan zijn bestaan heeft getwijfeld, kan het bovenstaande met vrij grote zekerheid in hoofdzaken als historisch vaststaand worden aangenomen.

boeddhisme, verzamelnaam voor een groot aantal stromingen, sekten en kerkgenootschappen, voornamelijk voorkomend in AziŽ, die zich alle baseren op de leer van Boeddha. Schatting van totaal aantal aanhangers: 300 miljoen.

Kern van het boeddhisme zijn de door Boeddha geformuleerde Vier Edele Waarheden:

1. alle bestaan is lijden;
2. lijden ontstaat door begeerte;
3. de begeerte moet vernietigd worden;
4. de begeerte kan teniet gedaan worden door het volgen van het achtvoudige pad:

  1. juist inzicht

  2. juist besluit

  3. juist woord

  4. juiste daad

  5. juist leven

  6. juist streven

  7. juist denken

  8. juiste meditatie.

Het consequent navolgen van dit pad leidt uiteindelijk tot het nirwana. Van groot belang is het derde concilie te Pataliputra (250 v.C.) geweest, onder bescherming van keizer Asjoka, waar besloten werd de boodschap te gaan verbreiden en waar de basis werd gelegd voor een van de hoofdstromingen in het boeddhisme, de Hinayana (klein voertuig of het kleine, mindere pad), een benaming later aan deze stroming gegeven door de aanhangers van de andere hoofdstroming, de Mahayana (het grote voertuig), die ca. 100 n.C. na het vierde concilie in Kashmir vorm begon te krijgen. De Hinayana-stroming, die thans voornamelijk in Sri Lanka, Birma, Thailand, Vietnam en Cambodja voorkomt, beschout zichzelf als de puurste vorm van het oorspronkelijke boeddhisme en noemt zichzelf bij voorkeur Theravada (De weg van de ouden).

De Mahayana-stroming, voornamelijk in China, Japan, Korea en Tibet, heeft in de loop der tijd veel elementen van inheemse godsdiensten opgenomen, predikt het universele heil en de universele verlossing van alle levende wezens en heeft een opvatting over Boeddha ontwikkeld die meer overeenkomt met een godsidee, zoals bijv. ook het christendom dat kent. Het Mahayana-boeddhisme heeft zich met name in China tijdelijk in een grote bloei mogen verheugen en kwam in 525 n.C. naar Japan waar het tot op heden een grote invloed op het geestesleven heeft uitgeoefend en van waaruit het in de vorm van het Zenboeddhisme naar het westen is gekomen. In de 7de eeuw werd het boeddhisme met veel succes gepropageerd in Tibet waar het, versmolten met de inheemse religie, het lamaÔsme vormde. In India zelf heeft het boeddhisme al snel zoveel elementen uit het hindoeÔsme opgenomen dat vanaf de twaalfde eeuw nauwelijks meer sprake was van een afzonderlijke stroming. Het aantal boeddhisten aldaar wordt thans op nauwelijks een half miljoen geschat.

In de negentiende eeuw heeft zich in het boeddhisme, voornamelijk als gevolg van het contact met de westerse koloniale mogendheden en de belangstelling van de kant van de westerse godsdienstwetenschappen, een diepgaande herbezinning op de leer en de organisatievorm voorgedaan. Men kwam o.a. tot de oprichting van internationale boeddhistische organisaties: de Maha Nodhi Society (1891), de Young Men's Buddhist Association (1898) en de World Federation of Buddhist (1950). Met betrekking tot de leer werd een handvest opgesteld dat door de meeste boeddhistische organisaties en kloosters werd ondertekend.In de tweede helft van de twintigste eeuw nam de belangstelling voor het Boeddhisme in het Westen verder toe. Een belangrijke rol werd daarbij gespeeld door de dalai lama.